Lees hier een voorpublicatie van Verloren Bagage (nu in de boekhandel)

FOTO'S

We hebben dezelfde herinnering.
Het is heel vroeg. De zon komt net op. We gapen alle drie - vader, moeder en zoon - van de slaap. Moeder heeft thee gezet, of koffie, en die drinken we werktuiglijk zonder nadenken. We zitten in de kamer, of in de keuken, zo rustig en stil dat we net standbeelden lijken. Onze ogen vallen dicht. Al snel horen we een vrachtwagen voor het huis stoppen en wordt er één keer getoeterd. Hoewel we erop zaten te wachten, is het zo'n vreselijk geloei dat we ons rot schrikken en meteen klaarwakker zijn. De ruiten trillen even. De buren zullen ook wel wakker zijn geworden. We gaan naar buiten om onze vader uit te zwaaien; hij klimt in de vrachtwagen, steekt zijn arm door het raampje, oefent zijn glimlach terwijl hij terugzwaait. Je kunt merken dat hij het jammer vindt om weg te gaan. Of niet. Hij is maar twee, hoogstens drie dagen thuis geweest. Zijn twee maten boven in de vrachtwagen roepen en zwaaien ook naar ons. De tijd verstrijkt in slow motion. De Pegaso start en rijdt moeizaam weg, alsof ook hij geen zin heeft. Moeder heeft haar ochtendjas aan en misschien veegt ze een traan weg, misschien ook niet. Wij, de kinderen, lopen in onze pyjama en op pantoffels, en onze voeten zijn ijskoud. We gaan naar binnen en kruipen weer in bed waar het nog een beetje warm is, maar we kunnen niet meer slapen door de vele gedachten die door ons hoofd spoken. We zijn drie, vier, vijf en zeven jaar oud, en we hebben dit tafereel al vaak meegemaakt. Op dat moment weten we het nog niet, maar dit is de laatste keer dat we onze vader hebben gezien.
We hebben dezelfde herinnering.
De scène die we net beschreven hebben, gebeurde op zijn minst twintig jaar geleden, en dit verhaal zou op drie verschillende plaatsen op de kaart van Europa kunnen beginnen. Of nee, vier. Het zou kunnen dat de verhuiswagen vervaagde in de ochtendmist waarin de Quai de la Marne ten noorden van Parijs was gehuld en dat hij een rij huizen achter zich liet in de Rue de Crimée, langs een kanaal dat in het ochtendgloren zo uit een boek van Simenon leek te komen. Of misschien verbrak de motor van de vrachtwagen de vochtige stilte van Martello Street tegenover het London Fieldspark, in Oost-Londen, en reed hij onder het treinviaduct door op zoek naar een uitvalsweg om die metropool te verlaten, waar de wegen breder zijn en links rijden geen enkel probleem is voor een chauffeur van het vasteland. Maar we zouden ons ook in Oost-Frankfurt kunnen bevinden bij een van die huizenblokken in de Jacobystrasse die na de oorlog zijn gebouwd: hier rijdt de Pegaso aarzelend in de richting van de snelweg, alsof hij bang is door het landschap van bossen en fabrieken te rijden en zich aan te sluiten bij de rij vrachtwagens die net als hij over de verkeersaders van Duitsland razen.

Parijs, Londen, Frankfurt. Drie willekeurige, ver van elkaar gelegen plaatsen met als enige bindende factor onze vader, die in een vrachtwagen reed en meubels vervoerde van de ene naar de andere kant van Europa. Er was nog een stad, Barcelona. Punt van aankomst en vertrek. In dit geval geen vrachtwagen of maten. Een van ons - Cristòfol - met zijn vader en moeder, meer niet. Drie personen in een slecht verlichte keuken van een appartement in de Carrer del Tigre. Maar het afscheid nemen gebeurde op de rustige manier die vader wilde - het leek bijna wel alsof het was ingestudeerd -, met dezelfde vage bezorgdheid die al eerder in andere huizen met andere gezinnen overheerst had. Die blik die kalmte moest uitdrukken maar eigenlijk overliep van medelijden en ons daar alle vier mee besmette: uren later, de volgende dag of na een week keken we onder het tandenpoetsen in de spiegel en zagen die blik in onze ogen. Een medelijden waarin we berustten. Daarom hebben we nu het gevoel dat ieder van ons overal was, en daarom verviervoudigt zich nu, zoveel jaar later, onze kinderlijke teleurstelling. Ook willen we graag denken dat onze moeders, onze vier moeders, een en dezelfde persoon zijn. Zonder het verdriet te delen, maar juist te verdubbelen. Niemand blijft de bittere pil bespaard. Ook ons, de vier zonen, niet.

Wat? Is het niet te volgen? Is het te gecompliceerd?
O, maar dit moet ook goed verteld worden. We zijn vier broers - of beter gezegd halfbroers -, zonen van dezelfde vader en vier heel verschillende moeders. Een jaar geleden kenden we elkaar nog niet. We wisten zelfs niet dat de anderen bestonden, verspreid over Gods aarde. Vader wilde dat we Christof, Christophe, Christopher en Cristòfol, Cristóbal toen Franco nog leefde, zouden heten. Zo in een adem uitgesproken, lijken deze vier namen wel een onregelmatige Latijnse verbuiging. Christof, Germaans nominatief, werd in oktober 1965 geboren en is de onmogelijke erfgenaam van Europese afkomst. Christopher, Saksisch genitief, kwam bijna twee jaar later ter wereld en zijn geboorte veranderde en verbreedde opeens de betekenis van een Londens leven. De datief Christophe liet iets minder lang - negentien maanden - op zich wachten, en in februari 1969 werd het lijdend voorwerp van een Franse alleenstaande moeder geboren. Cristòfol was de laatste die zich aankondigde: een bijwoordelijke bepaling, volkomen bepaald door plaats, ruimte en tijd, een ablatief in een taal zonder naamvallen.

Waarom gaf onze vader ons deze naam? Waarom stond hij erop ieder van ons zo te noemen, was hij zo koppig dat onze moeders uiteindelijk wel moesten toegeven? Wilde hij misschien niet dat we uniek waren? Feit is dat geen van ons nog meer broers of zussen heeft. We hadden het er een keer over met Petroli, die samen met Bundó zijn compagnon was - verhuizingen en geheimen - en die zei van niet, dat mijn vader zich nooit vergiste wanneer hij over ons vertelde en dat hij precies wist wie wie was. We zeggen tegen onszelf dat het misschien voortkwam uit bijgeloof: de Cristoffel is de beschermheilige van de chauffeurs van alle gemotoriseerde voertuigen en wij, de vier zonen, waren als kleine offerandes die hij in elk land achterliet, aangestoken kaarsjes die hem moesten beschermen op zijn ritten. Maar Petroli, die hem heel goed kende, zegt dat hij niet in een andere wereld geloofde en oppert een nog onwerkelijker, maar daarom niet minder geloofwaardige mogelijkheid: misschien wilde hij gewoon een winnende hand bij het pokeren hebben. 'Vier azen,' zegt hij, 'van elke kleur een.' 'En papa dan?' vragen wij. 'Hij was de joker die de five of a kind completeerde.'



Nieuwsarchief

Nieuwsbrief